Annie van Wieringen – Postma 2017-04-25T16:16:47+00:00

Annie van Wieringen-Postma

Haar vader heette Piet, maar was Dik Trom. In gedrag. Toen hij een ondeugende jongen was in Wilnis. Hij was groot, zo lelijk dat hij weer mooi was en voor niks en niemand bang. Toen hij en zijn vrienden trek hadden en er op dat tijdstip een bruiloft was, liet hij, haar vader, zich in de sloot plonsen, gilde moord en brand, kwamen alle bruiloftsgasten naar buiten, dook expres een paar keer onder water in de sloot, terwijl zijn vrienden snel de bruilofts-pannenkoeken buit maakten. Annie was dol op hem. Hij zat op de gym toen hij haar vader werd en thuis speelden ze acrobaatje. Ze kon een handstand doen op zijn grote sterke handen. In de lucht. Ook niet bang. Nooit.

Zij was de eerst geborene van Piet en zijn vrouw Geertje. Geertje kreeg reuma begin jaren dertig van de vorige eeuw. Ze kreeg ook vijf kinderen. Vader Piet was voorman bij een hooibergbedrijf en was alle dagen op pad met de vrachtwagen, materialen en personeel. Toen Annie tien jaar was, kon moeder Geertje niet meer lopen en in zeer beperkte mate haar handen gebruiken. Dus, zo was dat in die tijd, zorgde zij voor broertjes en zusje. Voor en na schooltijd en steeds meer tijdens schooltijd. Dat mocht niet volgens de wet, maar het was niet anders. Ze kon goed leren en deed het graag. Wilde dokter worden. Uiteindelijk sliep ze vaak in de klas van de MULO. Zo moe. Achteraf bleek ze in die tijd tbc gehad te hebben.

Op haar veertiende jaar startte ze de opleiding tot coupeuse. Ze ging bij gezinnen in het dorp kleren maken en had nog steeds de zorg voor moeder, drie broers en een zus. Koken, wassen, poetsen. Moeder verplegen. En naaien. Samen met haar zus heeft ze eens voor de twee jongste broertjes in één dag en nacht een trui gebreid.

Op een zomeravond bij een uitvoering van de gymvereniging in de buitenlucht zag een broodmagere man met prachtige ogen en haren haar kleine gestalte en werd verliefd. Hij was verlegen, maar kon toch een afspraakje met haar regelen. Nou, toen hebben ze gelijk gezoend. Hun verdere ontmoetingen waren geheim. Haar vader was vastbesloten. Zij moest voor het gezin blijven zorgen en een huwelijk was uitgesloten. De tortelduifjes, Jan en Annie, gingen op een koor, maar daar kwamen ze nooit. Dan waren ze bij elkaar. Hij was een zelfstandig timmerman en had een loodsje. En een grote leren jas. Als het winter was zaten ze daar samen in. Jan was weliswaar niet zo sterk als vader Piet, maar was goed in psychologische macht. Met zijn ogen en woorden won hij vechtpartijen en zo gebeurde het dat vader Piet toch toestemming gaf voor het huwelijk toen Annie eenentwintig jaar was.

In hun eerste woning,  een zolder met alleen koud water en gebruik van buiten WC van de onderburen, werden twee zonen geboren. Die onderbuurman vond Annie ook wel leuk, het was niet wederzijds. Als zij de trappen af naar de WC ging, stond hij vaak toevallig in de buurt en vroeg ‘Gaat het buurvrouw?’

Het volgende huis was een bovenwoning en groter. Ze gaf het leven door aan twee dochters. De jongetjes waren, net als haar vader Piet, heerlijk ondeugend. Tjonge, wat genoot ze ervan. Speelgoed werd uit elkaar gehaald om te kijken hoe het gemaakt was. De schoenen en klompen van de onderbuurman werden gevuld met viezigheden. En door op elkaar te klimmen, konden ze ontsnappen en snoepjes bietsen in de buurt. Onweerstaanbaar. Ze was zo gelukkig. En de naaimachine ratelde maar door. In plaats van grijze en bruine jurken van flodderige of juist harde stoffen, werden kleine soepele broekjes, nette jasjes en snoezige jurkjes gemaakt en lieve truitjes gebreid. En mooie pakjes. Voor haarzelf.

Haar man werd in plaats van timmerman een aannemer. Het bracht het gezin welvaart, maar hij was vaak weg. Ook als voorzitter van een interkerkelijke organisatie. Annie runde het gezin eigenlijk alleen. Wel een eigen auto, VW kever, voor de deur, en een huishoudhulp in huis, maar weinig echtgenoot. Die man, Jan, bracht haar wel iedere dag ontbijt op bed en deed de ochtendzorg voor de kinderen. Ze hield van hem en hij van haar. Gingen in de winter altijd samen op vakantie naar Zwitserland om de verloren uren in te halen. En Jan droeg een door haar gebreide muts en sjaal. En later vesten met prachtige motieven.

Het gezin verhuisde weer. Er waren voldoende financiële middelen om een gloednieuw huis te laten bouwen. Jan vond dat geweldig. Zij wat minder. Hoe meer huis, hoe meer werk. Ze werd weer zwanger, een dochter werd geboren, maar ook een ziekte. In die tijd, 1960, was nog niet zoveel bekend over psychiatrische ziekten. Ze kreeg een post-natale depressie. En zo zwaar dat ze haar kindje achter moest laten in dat nieuwe huis en zelf opgenomen werd in een ziekenhuis. Jan had zijn bedrijf, zijn interkerkelijk jeugd-werk en nu ook de volledige zorg voor de vijf kinderen. Er kwamen vele gezinshulpen en even zovele jongedames verdwenen weer. Het gezin was te druk voor hen en om de haverklap werden wasfouten gemaakt. Jan moest meer risico’s nemen met zijn bedrijf om dat allemaal te kunnen bekostigen.

Annie was in de hel beland. Zonder baby. Pillen werkten niet voldoende, shocks ook niet. Tijd wel, maar och, wat ging het langzaam en toen ze na een jaar weer thuiskwam en haar kinderen zag, hoorde ze de rest van  haar leven regelmatig mensen fluisteren dat ze ‘gek’ was geweest.

Jan was zo blij dat ze weer thuis was. Hij zorgde goed voor haar, zodat ze kon ontspannen. En de naaimachine snorde weer. Er was altijd wel een stofje dat omgetoverd werd tot een uniek kledingstuk. Koninginnedag werd zorgvuldig voorbereid. De kinderen mochten dan verkleed naar school. Sinterklaas heeft weleens meegelopen, nou ja, de mantel van Sinterklaas, en een Arabier, een stel boerinnen, edele heren en dames.

Op haar kaptafel stonden altijd potjes van dr v d  Hoog. De ene week ging ze naar de kapper om haar haren te laten wassen en watergolven en de andere week naar de schoonheidsspecialiste. En op dinsdagavond naar de ‘vrouwenklets’. Een avond georganiseerd door de kerk waar altijd wat te leren viel, maar waar het vooral gezellig was.

Omgaan met tieners was niet haar grootste talent. Ze kon de behoefte van de kinderen zich te slijpen aan haar niet waarderen. Jazeker, ze had wel  gevoel voor humor. Vooral met mensen die een beetje of beetje meer anders waren. Zoals het eiermannetje. Hij woonde in een onbewoonbaar verklaarde woning, had één set kleren, kon geen kam vinden voor zijn lollige lange grijze haren. In de fietstassen van zijn fiets zaten doosjes met eieren en die verkocht hij. Aan huis. Fietsen ging goed, lopen minder. Als een eitje tijdens de rit was gebroken, gaf hij het advies het direct te bakken. Soms was er een pauze in zijn verkoop. Moest hij even herstellen van een val. Hij stonk enorm en Annie trakteerde hem af en toe op een kopje koffie met koek in de woonkamer en gaf boterhammetjes mee met kaas. Dik belegd. Daarna werden vrolijk alle ramen opengezet. Dokter voor zwervers. Dat had ze willen worden.

De naaimachine ging gebruikt worden voor gordijnen. De kinderen gingen uit huis. Werken of studeren. En daarna ging ze bruidsjurken maken. Ze luisterde goed naar de wensen en maakte elke jurk eerst in het klad om zeker te zijn dat dit de jurk was die de dochter bedoelde. Zo knap.

Jan en Annie wilden graag samen oud worden. Nog geen jaar na zijn pensioen kreeg hij alvleesklierkanker. Ongeneeslijk. En Annie zorgde weer. Geen naaimachine.  Ziekenhuis in en ziekenhuis uit. Verschillende malen even adem inhouden, omdat het leek dat hij al uit haar leven zou gaan. Hij overleefde een blindedarmontsteking en een paar keer een longontsteking en na de eerste kuren leek hij op te knappen. Uiteindelijk stierf hij, in de nabijheid van Annie en hun kinderen. Hij had er vrede mee gekregen en zij woonde voor het eerst in haar leven helemaal alleen in een groot huis. Alleen de kat was er nog. Een lapjeskat. Vodje. Het ruwe rouwen werd door het beestje enigszins verzacht. Ze was een taaie. Vroeger al toen ze doorliep met tbc, en nu ook. Haar hart deed zo zeer en de nachten waren zo koud.

Wintersport maakte plaats voor Rijnreisjes. Niet vanwege die boot, maar omdat ze zulke fijne herinneringen had aan Duitsland. Ze waren regelmatig in Heidelberg geweest en sliepen dan in de bruidssuite. En die enorme grote stukken taart aldaar werden gretig ingenomen.

Al voor het overlijden van Jan kwam de stroom van kleinkinderen op gang. Tjonge, jonge, wat genoot ze daarvan. De kinderstoel die ze altijd bewaard had, werd weer in ere hersteld. Met grote vreugde. Die ogen van haar bij het zien van ondeugende hummeltjes, glommen. Ze mochten komen logeren. Trots als een pauw liep ze achter de buggy. Samen knutselen, ongezonde dingen eten en bij oma in het grote bed slapen. De naaimachine stond weer op tafel. Kleertjes maken voor die kleintjes en ook weer mooie pakjes voor haarzelf.

Het lukte haar een nieuwe vriendenkring op te bouwen. Jan had wel vele vrienden, en daar was hij altijd heel druk mee. Nu koos ze haar eigen mensen.

Haar zelfgemaakte kledingcollectie kreeg een zijweg. Patchwork. Werken met zoveel verschillende kleuren werd een feest. De oude gehaakte kleedjes in beige of oud-rose, maakten plaats voor vrolijke schepsels. Het systeem van de herhaling van lapjes in vaste afmetingen werd losgelaten. Met lapjes van warme, diepe kleuren ging ze schilderijen maken. Dat was nou echt heel erg leuk. En mooi. De vrouw altijd ten dienste van haar broertjes en zusjes, haar man, haar kinderen vond zichzelf  in haar creaties.

Ze verruilde haar huis voor een appartement boven een supermarkt. De ogen gingen achteruit, de benen ook en de auto maakte plaats voor de Valiesbus. Ze werd overgrootmoeder en voor de vierde keer mocht ze de eerste jaren van een generatie gadeslaan. En weer het land door. Elke baby, elke dreumes, elke peuter en kleuter was een feest. Ze kon best wel moe zijn, maar als ze die kleintjes zag bestond dat niet. Bezoekjes maken vond ze heerlijk.

Met haar snelle beentjes kwam ze dan stralend binnen. Ze trok haar mooiste kleren aan. Bijvoorbeeld een heerlijke zachte en zware kwaliteit donkerblauw tricot met jeugdige studs op haar schouders. Zoals altijd de huid van haar benen beschermd met een dikke panty. Grijs. De bijna witte haren dun speels verspreid over haar hoofd. Dat hoofd werd door de zegen van oud worden steeds meer verdeeld in eilandjes van reliëf in hangvormen, begrensd door plooien. Huid. Ze ging vergeten en dat heeft het voordeel dat ze soms wel drie of vier keer per dag naar de supermarkt ging. Voor één dingetje natuurlijk. Of twee. Gezellig.

Ze was handig met haar ouderdomsgebreken. Als ze bij een dochter kwam kroop ze gewoon na de lunch in haar bed. De dochter kwam er ook bij. Gingen samen filmpjes kijken van achterkleinkinderen, die allemaal op haar vader leken. In doen en laten dan. Boefjes.

Toen we samen in het grote bed lagen, voelde ik de kleine spierschokjes die horen bij een lijf dat slaapt, zo je ook de schokjes voelt van je nog ongeboren kind in je buik en dat vertederd waarneemt. Vertelde dochter Annemarie.

Een hartstilstand maakte haar leven voltooid. Geen wonder dat haar hart stil ging staan, het was zo groot geworden dat het knapte. Met al die kinderen erin.