Arnoud Post 2018-04-17T20:20:10+00:00

Arnoud Post

Ik houd van feestjes.

Mijn biologische vader leerde mij die te organiseren. In een woonkamer. Neem een grote salontafel. Zet daar alles op. Cola, 7-up, vooral veel taart, nootjes en chips. Wijn. Snel en hoppelakee. Laat de gasten zichzelf bedienen, het staat immers voor hun neus, en ga verder uitsluitend lekker kletsen. Je hoeft immers niets anders meer te doen.

Mijn schoonvader leerde mij om van bijna alles een klein feestje te maken.

Arnoud leerde ik pas op oudere leeftijd kennen en hij leerde mij gretigheid bij feestjes. Als hij binnenkwam bij mij, was zijn jas snel uit, maar nog eerder had hij al iets van zeer aangenaam vocht of iets anders lekkers in zijn mond laten glijden. En daarna ging hij er goed voor zitten. Daar waar de lekkerste dingen stonden. Het comfort van de stoel was zeker ondergeschikt aan de culinaire vreugde. In soepele motoriek begaven zijn armen zich naar de beoogde heerlijkheden. Het glas wijn altijd gevuld. De fles bij de hand om bij te schenken. Bij het kauwen kon zijn hoofd wat scheef gaan staan met ogen op de milde stand van het grote genieten. Hij had het druk. Dan. Geen tijd te verliezen. Hij was bereid om op elk moment over te stappen op het nuttigen van een andere heerlijkheid. De kleine man kon zo lekker eten. En ook veel. Dat ziet een gastvrouw graag.

Zijn eerste vrouw was na een huwelijk van bijna vijftig jaren overleden. En mijn moeder had haar man verloren na een huwelijk van ruim 40 jaren. En zij, Arnoud en mijn moeder hadden elkaar gevonden en lief gekregen.

Bij het bidden aan tafel in de flat waar zij leefden, dankte hij altijd voor het voedsel met de woorden ‘mild en overvloedig’. Tja, overvloedig. Daar hield hij van.

Als het, bij een feestje, tijd was om naar huis te gaan, werd de jas aangetrokken met in één hand nog een glas wijn en in de andere nog een hapje. Op dat moment was er nooit angst voor vlekken, hoewel hij anders pertinent geen vlek duldde. Het laatste wat hij deed, voordat hij de deur uit ging, was het net lege wijnglas ergens neerzetten.

Ik vond dat zo leuk!

Vorig jaar zomer was hij de grijsheid voorbij. Zijn lange witte haren vielen soepel op zijn schouders. Een bezoek aan de kapper was lastig geworden. Een ruige riem hield zijn broek losjes op de heupen. Jongensachtig. Hij droeg alleen nog zijn lievelingsschoenen. En daar beloonden die schoenen hem voor. De vouwen in de neuzen, veroorzaakt door het vele gebruik, lichtten een artistiek lijnenspel op. Hij had inmiddels alle tijd van de wereld. En tegelijkertijd alles al beleefd.

De ogen glommen niet echt meer, een aangename vorm van sufheid had hem verlost van verplichte bezigheden. De lichtvoetigheid van zijn benen had plaatsgemaakt voor het leunen op de rollator. Dat ding gleed soms zover weg, dat hij heel langzaam en heel zachtjes in volle lengte leek te vallen. Materieel met wielen, gemotoriseerd of niet, heeft hem echter nooit in de steek gelaten.

Op een zomerdag zaten we in de ochtend op een terrasje en hij at een haring. Och, wat kon hij genieten van een visje. Nee, niet om naar te kijken, dat deed hij graag naar hele mooie auto’s. Dat beest, die haring, moest zwemmen, dus hij had een flink glas bier in zijn handen. Halverwege de dronk wilde hij zijn lippen deppen. Alle zakken werden grondig doorzocht. Zijn armen beleefden in bewegelijkheid het hoogtepunt van de dag. Mijn moeder, zijn partner, wees hem op het zakdoekje in zijn borstzak. Dom, van haar, dat was een reserve exemplaar. Ze zuchtte. Diep. Ze was moe van het zorgen voor hem. Ze viel regelmatig. Op de grond. De gekleurde vlekken op haar armen waren getuigen. Hij wist de oplossing voor haar probleem. Hief zijn glas duidelijk, zijn hoofd weer wat schuin, ene oog wat dicht en zei: ‘Gewoon zorgen dat je in aangename toestand voornamelijk horizontaal blijft. Kun je nooit vallen.’

Wijs man.

Elisabeth, stiefdochter