Lucas van Vries 2017-04-25T15:35:33+00:00

Lucas van Vries

Als kleine Luuc het bruggetje voor het huis overliep, even naar rechts, dan bij de rooie hoek naar links en dan weer rechts, nog geen vijf minuten lopen en hij was bij zijn schatkamer. De vuilnisbelt. Zijn zes broers en één zus en hun ouders waren arm. Heel arm. De enige keren dat hij een goeie maaltijd had, was als iemand uit de klas een maaltijd kreeg van de Steun en die leerling de maaltijd niet bliefde. Dan mocht hij het opeten. Vader was een onhandige boomkweker, het was crisis en wel brood op de plank, maar nauwelijks beleg of groente, een dobbelsteentje vlees op zondag, een sinaasappel met Kerst en verder alleen aardappelen. Elke week kregen de kinderen een ei. Eentje. Voor allemaal. Op brood. Het eenzame eitje was zo zacht gekookt dat moeder het over acht boterhammen kon smeren.

Moeder knipte zelf de haren van de jongens. Nou, dan zette je de dagen erna echt je pet op. Allemaal happen erin. De wekelijkse was van de huid van de blote jongetjes werd gedaan vanuit een kleine teil water en een handdoekje zo groot als een theehanddoek van nu. Het laatste kind werd amper schoon, en zeker niet droog. Vader had op zolder schotten gezet om het bed van het zusje en de broers sliepen met twee of drie personen in een bed op zolder. En dat was zo gezellig. En zo lekker warm. En heerlijk door het niet geïsoleerde dak naar de sterren kijken. Ze lagen allemaal lepeltje-lepeltje en als de één draaide in bed, draaide de ander gewoon mee.

Moeder was niet getalenteerd in het runnen van een huishouding. De was werd uitbesteed, daar was kennelijk wel geld voor. Koken deed ze zelf. Altijd aardappelen met een beetje groente die gewoon, hups, erbij gegooid werd. Die stelen van de boerenkool waren niet weg te krijgen.

Kleine Luuc zocht op de vuilnisbelt naar schatten om die te verpatsen voor centen en die centen om te zetten in heerlijk toffees. En daar was hij best goed in. Hij had zeker twee keer in de week wel een toffee in zijn mond.

Natuurlijk was er geen geld om verder te leren na zijn veertiende jaar. Hij ging eerst bij zijn vader werken en later bij een baas. Zodra de jongens geld verdienden, moesten ze tweederde van hun loon afstaan aan vader. Ondanks dat het gezin rijker werd, bleef het voedsel belabberd. Dat heeft Luuc nooit begrepen.

Van de twee jaren in Duitsland, heeft hij het maar twee maanden slecht gehad, maar wel beter dan thuis. Hij stuurde zijn tabaksbonnen naar broer Klaas, die ook in Duitsland was en kreeg daarvoor broodbonnen terug. Hij at dat extra brood stiekem op en deed bij het gezamenlijke eten alsof hij niets had. Dat vonden ze zielig en kreeg hij toch wat. Zijn lijf werd sterker.

Na twee maanden realiseerden de Duitsers dat hij van Vries heette en in Duitsland begint iedere achternaam van een adelijk persoon met von, en ze dachten dat Luuc van adel was. Dat heeft hij maar zo gelaten. Vanaf die tijd werd hij bijrijder op een vrachtwagen en hoefde eigenlijks niks te doen en kreeg nog beter eten.  Broer Klaas profiteerde eveneens van deze misvatting. En had ook een prima baantje met goed eten. Ze correspondeerden met elkaar. Zochten elkaar zelfs een keer op. Toen de oorlog afgelopen was, moesten ze zich melden bij de Amerikanen, maar dat deden ze lekker niet. Ze hadden al jaren bevelen moeten uitvoeren en daar waren ze niet voor geboren. De vrijheid smaakte zoet.

Ze hadden geen cent, dus ze liepen zo’n duizend kilometer naar huis. Vooral door de bossen. Het moest immers stiekem. Het mos op de stammen wees hun de weg. Een boom heeft aan de noord-zijde van de stam het meeste mos. Kompas was overbodig. Gastvrije boeren gaven hun altijd onderdak en een warme maaltijd en ontbijt.  Ze werden weleens opgepakt. Door de Amerikanen, maar dan slopen ze weer weg. Twee maanden na de bevrijding kwamen ze halverwege de week weer in het ouderlijk huis en het eerste wat vader zei was ‘Je moet vanaf vandaag wel kostgeld betalen’.

Hij ging weer voor een baas werken en al snel kochten broer Klaas en hij een stukje boomkwekerij-land om zelfstandig hun brood te verdienen. Ze deden het goed. Samen konden ze hard en snel werken. Hadden een neus voor wat de klant wilde. Zo goed hij was in zijn vak, zo slecht was Luuc met meisjes. Hij werd wel verliefd, maar wist dan niet wat hij moest doen. Als in de winter op het ijs een meisje met hem zwierde en hem in de avond naar een donker stukje liet schaatsen, wist hij de volgende dag pas dat hij haar had moeten zoenen. Of die keer dat hij met een meisje was gaan fietsen en zij vroeg ‘Wat is het mooiste uitzicht?’, en hij duidde op een prachtige eikenboom. Stom, hij had moeten zeggen dat het meisje het mooiste was. En toen hij elke zondag naar de kerk liep en een meisje hem zo vriendelijk begroette en hij even stil had moeten staan om een compliment te maken en vervolgens te vragen waar ze woonde, besefte hij pas in de kerk. Elke zondag hoopte hij haar weer te zien en elke zondag zag hij haar niet.

Eind jaren veertig van de vorige eeuw was er een warme zomer en dan hoefde een boomkweker alleen te zorgen dat de planten water kregen, want onkruid komt niet op in de hitte. De broers spraken af dat Klaas naar Engeland ging voor een paar weken. Oculeren. Dat is een methode om rozen te kweken. Een nauwkeurig karweitje. In Engeland werd Klaas verliefd, trouwde snel en kreeg een plan. Rozen verkopen met een postorderbedrijf. Klaas was eenzaam en dat bedrijf draaide redelijk, dus verkochten ze hun land en opstand in Holland en begonnen samen met het bedrijf in Engeland. Alles wat ze zelf konden doen, deden ze zelf. En leefden zuinig. De eerste zelfgemaakte loods stortte in, maar de bakken met rozen, gemaakt van oude deuren, waren direct goed. Ze plaatsten een advertentie op de voorpagina van een landelijke krant, waarbij werd gesteld dat rozen die dood gingen gratis vervangen werden door een ander exemplaar. Het bedrijf  liep als een trein. ‘Ongelooflijk goed’, zoals hij zei, met nadruk op ‘ongelooflijk’. Ze waren verbaasd en grepen hun kansen.

Er ging ook weleens wat mis. Dat is normaal bij het leven. Ze probeerden bloembollen te kweken, hadden flink geïnvesteerd en alles was mislukt.

In Engeland werd Luuc weer verliefd. Inmiddels had hij een auto en bood het meisje een ritje aan terwijl ze wachtte bij een bushalte. Hè, hè, hij had beet. Melissa. Een vrolijke blonde vrouw en ook nog handig in taal, zodat zij de gesprekken in het Nederlands tussen de broers kon volgen. Ze trouwden en kregen welbewust maar twee kinderen, omdat hij nooit zo arm wilde worden, zodat zijn kinderen niet voldoende voedsel hadden. Audrey en Frank. Ze groeiden tweetalig op.

Wim en Klaas hebben nooit onenigheid gehad over taakverdeling binnen hun bedrijf. Met zijn vrouw, Melissa, was het anders. Hij begreep in de loop der tijd dat dat normaal is bij vrouwen en gaf haar toen gewoon altijd gelijk. Dan was het veel gezelliger in huis. Ze waren maatjes.

Hij had een grote tuin om zijn huis, maar weinig werk. Dat is een kwestie van inrichten. Naaldbomen verliezen geen blad, en de enkele zorgvuldig geplaatste bladerbomen mochten hun blad op de grond bij zich houden. Waar blad ligt, groeit immers geen onkruid.  Alleen grasmaaien en in de zomer met de tuinslang spelen. En alles wat het tuincentrum niet kon verkopen, kwam in zijn tuin terecht. Vooral beschadigde potten en beeldjes, zoals de leeuwen, die overigens elke dag te eten kregen op hun bordje. Hij gooide niks weg,  dan krijg je een heleboel. Als er een te grote boom omvergehaald moest worden, werd de stam gespaard. Om er iets leuks van te maken. Knutselen. En grappen maken.  En weggeven. Binnen de familie, want familie is het belangrijkste.

Alleen als je lichaam verzwakt wegens tekort aan voedsel en je jezelf niet kunt warm houden in de winter, ben je arm. Anders niet. Dan heb je het goed.

Zijn grootste overwinning op de armoede was de aanschaf van een rolls royce. Hij bestuurde hem soepel over de kleine weggetjes. Wel jammer dat er steeds meer  auto’s kwamen, dat maakt het parkeren lastig. Als de auto weer thuiskwam, werd hij zorgvuldig bedekt met versleten lakens en spreien, vastgehouden met ogen en touwen, gedirigeerd door een katrol. Altijd stofvrij.

Het mooist van alles blijven toch bomen. Toen hij op zijn tachtigste jaar met pensioen ging en zijn kinderen het bedrijf hadden overgenomen, kreeg hij een nieuwe hobby.  Bonsai’s. Dooie. Hij verhuurde nog stukjes van zijn oude loods, en één huurder is bonsaikweker. Hij kreeg de oude doorleefde stammen die eigenlijk weggegooid werden, en hij maakte ze weer prachtig. Met kunstbloemen en vooral veel lijm. Plastic grasmatje eronder, een paar beertjes erop en een kunstwerk is geboren. Zijn huis en tuin zijn inmiddels verzadigd van deze grootsheid. Elke jarige heeft zo’n kunstwerk gekregen, liefst een grote,  en niet iedereen was daar nou zo blij mee.

Zes jaar geleden overleed zijn vrouw Melissa. Ze hadden elkaar innig liefgehad. Een kort ziekbed. Hij had veel geleerd van haar. Manieren. Zo hield hij altijd de deur open voor een dame. Voor elke dame. Ook de dames op het bedrijf. Hij droeg altijd de zware tassen. Bij bezoek kocht hij het beste wat er was en vroeg telkens wat de gast wilde. Iets te eten, iets te drinken. Taart uitdelen was wat lastig, behalve het laatste stukje. Kiepte hij zo, doos op de kop, op het bord. Moest je wel een groot bord hebben, kon je makkelijker mikken. Het huishouden in al haar breedte werd een nieuwe taak.

Vroeger moest hij er van zijn vrouw netjes uitzien. Later niet meer. De vlekken verraadden zijn onbevangen levenslust.

Hij had geen droger nodig en ook geen wasrek. Boven het AGA fornuis is een kapstok geplaatst en met wat loodgietersgrepen hebben de stangen de juiste maat gekregen. Voor het slapen gaan de was ophangen en ’s morgens is het al weer droog.

Voortschrijdend inzicht in de huishouding heeft uiteindelijk geresulteerd in overgave aan Audrey. Elke maandagochtend mocht ze poetsen of weggooien wat ze wilde. Betaald. Logisch. Zij hielp hem.

Ongeveer tien kleine bedrijfjes huurden een stukje grond van hem om rommel op te gooien, zodat die rommel dan eens in de zoveel tijd weggebracht kan worden naar een echte stortplaats. Dat is goedkoper voor ze en hij was er graag. Bij die rommel. Beetje kijken, beetje rommelen en soms vindt hij zomaar, net als toen hij een kleine jongen was en naar handelswaar zocht op de vuilnisbelt, een schat. Met het woord rommel bedoelde hij iets waar hij niets mee kon. Het kan ook slaan op mensen, maar als die gezellig zijn, zijn ze nog veel meer waard dan een schat uit een vuilnisbelt.

In het tuincentrum wordt een zwarte kunststof aan een grote rol voor de vijvers verkocht. De klanten willen meestal een vijver met ronde vormen, dus zijn er stukjes over, die op de heerlijke vuilnisbeltjes belanden. Voor even. Als de zolen van de schoenen van Luuc versleten waren, had hij geen schoenmaker nodig.  De schoenen werden op een stukje vijverplastic gezet, snel met de meest nabijgelegen pen omgetekend, nog sneller de vorm uitgeknipt met repeterende, onregelmatige kunstige hoekjes en gelijmd onder zijn schoenen. Minuutjeswerk. Alleen lijm bleek niet voldoende. Hij had nog zat schroeven, dus werden in favoriete bruine schoenen schroeven aan de zijkanten geboord, om die nieuwe zooltjes vaster te zetten. Werkte ook niet. Toen vond hij het juiste systeem. Dotje lijm en nietjes. Zijn levens motto was: ‘Alles wat je zelf maakt, is veel mooier dan wat je kunt kopen’.

Ik ben een nichtje van hem en bezocht hem graag. ’s Avonds bij de kachel sloten we de dag af met een advocaatje voor hem  en een whisky voor mij. Ik mocht altijd drinken uit het mooiste kristallen glaasje van mijn tante. Als hij zijn glaasje advocaat zoveel als mogelijk leeggedronken had, ging zijn wijsvinger in het glas, raakte de bodem en likte het met zijn vinger helemaal leeg. En schoon. Alles wat voorbijkomt, moet je wel pakken.

Inventiviteit was zijn grote talent. Er was overal een oplossing voor. En als er geen oplossing is, is het gewoon zo. Dat is ook een oplossing.

Een paar maanden geleden deelde hij mede dat als hij als hij ooit doodgaat, hij een goedkope kist wil en geen bloemen. Daar merkt hij namelijk niets van. Hij heeft een verwennerij  liever eerder. Iets lekkers om te eten. Het allerleukste zou zijn om een tekst met zijn stem op te nemen en met een tijdklok zo te regelen dat op het moment van het zakken van de kist zijn stem luid zou klinken, vertelde hij grinnikend.

Hij mocht lang leven. Rijk in levensplezier.